Op 29 september hield Dr. Peter Meel in het Amsterdamse UP Office Building de zesde Jagernath Lachmon Lezing. Onder de titel ‘Het land van ooit of het land van nooit?’ sprak Meel, verbonden aan de Universiteit Leiden, over vertrouwen in de Surinaamse politiek. Hij constateerde dat dit vertrouwen gering is. Uit enquêteresultaten blijkt dat Surinamers veel meer vertrouwen hebben in religieuze organisaties, de rechtspraak en de media dan in politieke partijen, het parlement of de regering. Volgens hem is dit een zorgwekkende ontwikkeling. Het zegt iets over het disfunctioneren van een democratie als burgers afhaken en zich langer niet betrokken voelen bij de politiek.

Meel zoekt de oorzaak van de heersende vertrouwenscrisis in de dominante positie van de politiek en het gebrek aan aandacht van politici voor de potenties van de civil society, ook wel het maatschappelijk middenveld genoemd. Civil society organisaties als vakbonden, werkgeversorganisaties en beroepsverenigingen, maar ook niet-gouvernementele organisaties, bijvoorbeeld op het gebied van gender, milieu, mensenrechten, welzijn en cultuur, richten zich op het doordènken en oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Zij doen dit door burgers actief bij de besluitvorming hierover te betrekken en door een complementaire rol te vervullen ten opzichte van de politiek. Hoewel zij dit op een professionele manier proberen te doen, beschouwen veel politici hen als luizen in de pels. Meel beoordeelt dit als een gemiste kans. Juist door civil society organisaties als partners te beschouwen en gebruik te maken van hun netwerken, deskundigheid en ideeën kan volgens hem de kloof tussen politici en burgers worden versmald en het politieke vertrouwen van burgers worden versterkt.

De Jagernath Lachmon Lezing is een initiatief van VHP-Nederland en Meel greep de gelegenheid aan om de VHP op te roepen burgerparticipatie in Suriname te bevorderen. Hij pleitte voor de introductie van het vak burgerschapskunde in het middelbaar onderwijs. Leidende vragen tijdens de lessen zouden moeten zijn: wat is een burger, wat mag er van hem of haar worden verlangd en op welke wijze kan hij of zij bijdragen aan de ontwikkeling van het land? Behalve uit het overdragen van kennis diende burgerschapskunde volgens Meel te bestaan uit het trainen van debatvaardigheden en het volgen van maatschappelijke stages. Om het belang van het vak te onderstrepen, stelde hij voor om doelen behaald in het kader van burgerschapskunde vast te leggen in een burgerschapspaspoort. Had een leerling aan alle eindtermen voldaan, dan kon dit document gelden als een basiskwalificatie burgerschap.

Om het vertrouwen in de politiek te herstellen, vroeg Meel ook om nadere actie op andere punten. Hij sprak zijn waardering uit voor de uitbouw van de VHP tot een Oranjebeweging, maar verklaarde dat deze beweging pas over een nationaal profiel zou beschikken als het VHP-bestuur, de VHP-fractie en – als de partij deel ging uitmaken van de coalitie – de VHP-ministersploeg een dwarsdoorsnede zouden vormen van de samenleving. Daarnaast zou de partijleiding er volgens Meel goed aan doen te beklemtonen dat het bedrijven van politiek een dienstbare opstelling en integer handelen veronderstelde. Hij stelde een integriteitscode voor, onder meer inhoudende de promotie van het DNA-lidmaatschap tot een voltijdse baan en het afzien van neveninkomsten voor de duur van dit lidmaatschap. Tenslotte deed Meel aanbevelingen voor een meer op de inhoud gerichte communicatie met de burger en voor een diasporabeleid dat op een realistische wijze in de ontwikkelingsvisie van de partij zou zijn ingebed.

Meel betitelde Suriname als ‘het land van ooit’, mits politici op een meer fundamentele wijze zouden aansturen op het vergroten van het vertrouwen in de politiek en civil society organisaties daarbij actief zouden betrekken. Alleen door de burger centraal te stellen kon vertrouwen in de woorden van Meel fungeren als ‘de lijm die samenlevingen bij elkaar houdt, de brandstof die economieën laat draaien en het fundament waarop ontwikkelde democratieën rusten’.

Na afloop van de lezing volgde er een toespraak van VHP-voorzitter Chan Santokhi en discussieerde een panel (bestaande uit Peter Meel, Chan Santohki, Theo Para en Kathleen Ferrier) met het goed opgekomen publiek.